Column: Ach, dat hoort erbij…

2 december 2011

Nog een kwartiertje, dan is het helemaal donker. Om zeven uur begint de training, zes jongens zijn een uur voor de training al naar de sportschool gekomen. De druppels die door de gel op donkere krullen blijven liggen verraden dat het regent.
Twee van de zes hebben geen sporttas met kickboks spullen bij zich. Ze worden overladen met adviezen voor de wedstrijd die ze morgenavond zullen vechten. Vanavond trainen ze niet, maar willen ze wel even de gezellige sfeer van een vrijdagavond in de sportschool opsnuiven. Quasi verontwaardigd geven ze te kennen dat ze geen raad meer nodig hebben van “de praatjesmakers”. Scherpe opmerkingen waarbij de kickboks kwaliteiten van de ander ter discussie worden gesteld vliegen over en weer. Toch is duidelijk dat er een hechte onderlinge band is en dat de betrokkenheid die uit de adviezen spreekt gewaardeerd wordt.
Er verschijnt een onbekend viertal in de kleine hal die overloopt in de ontmoetingsruimte waar de jongens zich hebben verzameld. Twee mannen van rond de veertig jaar met achter zich aan twee “mannen” van naar schatting 9 a 10 jaar oud. De twee kleine mannen dragen grote tassen bij zich die gedurende de weg van de deur naar de bar een aantal keren tegen deurposten, muren en krukken zijn aangestoten. Ze worden door deze botsingen zichtbaar uit balans gebracht. Duidelijk is, dat deze kleine mannen hun weg nog moeten vinden, zeker met tassen. De lichaamstaal geeft aan dat ze zich niet helemaal op hun gemak voelen in deze nieuwe omgeving. De twee kleinsten houden zich stil. Ze blijven dicht in de buurt van de twee grootste. Zwijgend kijken ze naar de posters met gevaarlijk uitziende kickboksers die op de muren en deuren in de ontmoetingsruimte hangen. Trofeeën en bekers staan op planken uitgestald achter de bar. De mannen geven op een andere manier blijk van onzekerheid. Het loopje naar de bar is net te snel om gedecideerd te kunnen zijn. De wat nonchalante en onverschillige blik moet de indruk wekken dat ze moeiteloos de weg weten tussen bandages, scherpe lucht van Thaise olie en bokshandschoenen variërend van 10 tot 18 oz.
In de hoop zijn onzekerheid te kunnen maskeren laat een van de twee opzichtig een duur uitziend horloge onder de mouw van zijn zwarte leren jas vandaan komen.
Ook voor het meisje achter de bar is het duidelijk dat de twee zoekende zijn. Ze biedt hen een kopje koffie aan.
Er wordt in de koffie geroerd zodat het glimmende uurwerk met geen mogelijkheid over het hoofd gezien kan worden. Al snel geven de mannen aan dat de twee jongens die nog steeds wat geïntimideerd om zich heen kijken “willen” kickboksen. Het meisje legt uit dat er vanavond training is voor de wedstrijdvechters en dat er op woensdagmiddag trainingen zijn voor de jeugd.
Na kort overleg besluiten de mannen dat ze de jongens “zelf wel even trainen” voordat de les begint. Het is kwart over zes. Tijdens het gesprek met het meisje hebben de twee de opdracht gegeven aan de jongens om de trainingszaal in te gaan en zich om te kleden.
Het barmeisje is overrompeld door de ontstane situatie en geeft nog aan dat dit niet echt de bedoeling is.
Iedereen in de ontmoetingsruimte heeft door dat er een vreemde situatie aan het ontstaan is. De twee mannen lopen de, ondertussen in kick boks broek gehulde, jongens tegemoet. Ze betreden de mat zonder te groeten en hebben de schoenen aan die ze ook buiten dragen.
De wedstrijdjongens die het hele gebeuren hebben gevolgd aarzelen om er iets van te zeggen. “Er mogen geen schoenen van buiten op de mat”.
De rustige uitspraak kan het vuur achter de woorden niet camoufleren. De grond waar ze bloed zweet en tranen lieten wordt geschonden door twee mannen die de regels van een vechtsportschool duidelijk niet kennen.
Een van de jongens kan zijn irritatie niet langer onderdrukken en besluit een opmerking te maken. Een wat beschaamd en geërgerd gevoel bekruipt de twee. Ze realiseren zich dat ze beginnersfouten hebben gemaakt. De schoenen gaan als nog uit en met een halfslachtige buiging proberen ze tevergeefs de schade te herstellen.
De twee jongens krijgen vervolgens de opdracht van de vaders “toe maar, sparren..!”.
Ze kijken naar de volwassen mannen die met gebalde vuisten boksachtige bewegingen in de lucht maken.
“Sparren” zegt hen nog niets, maar uit de bewegingen van de twee mannen maken ze op dat er verwacht wordt dat ze de strijd met elkaar aangaan.
De kleinste van de twee doet zijn vader na en houdt beide handen naast zijn wangen om zich te beschermen. Hij hupt onrustig van zijn ene been op de andere.
Zijn opponent probeert dat ook te doen, maar heeft besloten om een aanval te wagen. Hij zwaait zijn arm, met aan het uiteinde een zakhandschoen in plaats van een bokshandschoen naar het hoofd van zijn tegenstander. “Deze passen beter dan bokshandschoenen” was het weinig verheffende argument.
Wonder boven wonder botst de zwaai op de omhoog gehouden hand. De zwaai dreunt toch door in het hoofd.
Instinctief maait de ontvanger, nu op een soortgelijke wijze de in een 16 oz gehulde hand richting de ander. Hij mist, echter door het gewicht van de handschoen kan hij niet stoppen en draait hij half vallend om zijn eigen lengteas. De ander is er als de kippen bij om gebruik te maken van het gebrek aan balans en probeert de ander op het hoofd te raken zoals een timmerman een spijker.
De twee vaders geven verhit aanwijzingen en adviezen aan de twee jongens “ja, dat is goed !” is hun conclusie nadat de “gehamerde” zich herpakt en de andere jongen vol met een zwaai op zijn neus raakt. De ontvanger reageert zoals iedereen die voor het eerst een voltreffer op zijn neus krijgt. Hij schrikt, knijpt even zijn ogen dicht, strekt een arm richting zijn tegenstander om afstand te bewaren terwijl hij zijn lichaam wegdraait en in elkaar krimpt. Alles in zijn lichaam zegt hem dat het een goed moment is de strijd te staken. De fight or flight reactie die ieder mens met zich meedraagt slaat overduidelijk door naar vluchten. De druk van de vaders is blijkbaar sterker dan zijn instinct. “Niets aan de hand man, doorgaan!” klinkt het advies van iemand die waarschijnlijk nooit bokshandschoenen droeg, laat staan incasseerde of uitdeelde. Een gevolg van een dreun op een neus is tranende ogen, met betraande ogen gaat de strijd gaat nog even door. Het tafereel met de twee jongens als hoofdrolspelers doet me denken aan een ruzie waarbij twee mensen elkaar proberen te overschreeuwen. Door het eigen geschreeuw kan er niet meer geluisterd worden naar woorden of argumenten van de ander. Er is sprake van miscommunicatie, gebroken serviezen, echtscheiding en alle narigheid van dien. Ditzelfde is hier aan de hand bij deze jongens, er is geen begrip. Geen aanpassen aan de trainingspartner. De prachtige non verbale dialoog die ervaren vechtsporters met elkaar kunnen voeren kan alleen tot stand komen als er aandacht is voor elkaar. Deze twee vechtende jongens overschreeuwen elkaar en daardoor zichzelf. Een opmerking die ik in dit hele verhaal nog miste is: “die bloedneus is niet erg, dat hoort erbij, daar word je hard van….”.
Onze sport kent inderdaad meer risico’s dan het verzamelen van postzegels. Uiteraard, de weg naar volwassenheid gaat met vallen en opstaan en dus met krassen en builen. Zo is het ook bij het beoefenen van vechtsport, die bloedneus, de gekneusde duim die je nog voelt zes maanden na een hoek op een elleboog, die blauwe scheen na een geblokte trap zijn aspecten die voorkomen in onze sport. Zeker als je geen recreant bent en vechtsport je bron van inkomsten is. Bij jongens van 10 jaar die nog nooit bokshandschoenen droegen ligt dat mijns inziens anders. Daar horen geen bloedneuzen bij. Op het moment dat de trainer verschijnt en probeert in te schatten wie al die mensen in zijn sportschool zijn en wat er zich zojuist afspeelde hoor ik een vader zeggen:……Die bloedneus is niet erg,…. Dat hoort erbij…….
Ik zucht….

Patrick van Neerden Site-Kick.nl Training & Coaching

Related Posts

Activiteiten
Studio Live
Ervaren